271°
Geheel overdonkerd lag nu het ontzachlijke rotsgesteente in avondgeheimenis. Van verre ruischten kleine watervallen. In de zwarte daldiepte ontgloeiden toortsen van Judaeërs, die walmend in vlam-rossen gloed, den nacht doorspookten en jakhalzen ijzingwekkend jammeren deden. Gesmoorde juichkreten klonken uit de Judaeërsbende op, toen Simson had uitgesproken. Eindelijk zouden zij een hollend paard door hun stam-heiligdom, de hoeven kunnen beslaan. Toch wroette schaamte hen door de ziel en voelden zij zich geschokt om Simson's kinderlijke onderwerping, zijn gehoorzaam zich bukken voor een sterkere macht. Allen tezamen in nooddruftige bewogenheid hieven zij de handen en riepen zij plechtig, met trillende stemmen naar boven, naar de klove:
— Dat zweren wij, Simson!...
— Bij den barmhartigen Vader!...
— Wij zweren, Simson, dat wij u alleen zullen binden ... Geen haar van uw hoofd zullen wij krenken! ...
Als smartgeschrei klonken er stemmen van vermetelheid-aanbiddende jongeren tusschen. Een Ab-dullamiet kreet:
— Held!... Philistijnen-dooder!
Een man uit het Vuurdal riep weenend:
— Lankmoedige held!... Laat u niet in honing kneden!...
dra gesmoord door het massale eedgezang:
— Geen lid van uw lichaam zullen wij krenken ï