359°
— Uw levensadem ... held van Jehovah!...
Toen, uit de spelonke, klonk weer Simson's stem.
Een smachtende ontroering perste Naziraeër's keel schier dicht, toen hij bevend-zacht begon te spreken, terwijl het aanbiddelijke, vroom-reine gelaat van Zelalphonith, zijne moeder, plotseling als vóór hem opdoemde in het schrikwekkende rotsendonker.
— Mannen van Juda... Sjooteriem,... gij wilt mij offeren voor mijn misdaden? ... In alle nederigheid ... het zij zoo. Ik zal mij in uw handen overgeven, Zonder verder overwikken. Krijt niet en jouw niet en bindt mij striemend de armen en de handen en doe het goed!... Mijn leven is voor Jehovah uitgeschreven ... En grijp mij bij de voeten!... Ik zal van het rotsgesteente tot u afdalen ... het zij zoo ... Begint aan mijn linkerzijde, den heimlijken kant van het strafgericht, waar ik de roode wolk van engel Gabriël zie schijnen ... Maakt mij machteloos ... knelt mij de armen af met uw getouwen... ontzenuwt mijn kracht!... Doch zweert mij bij d'almachtigen God, bij den Eeuwige, den God van Israël,... dat als ik zonder dekking en ongewapend voor u verschijn, gij mij niet verraderlijk-sluw overvallen en ombrengen zult met u allen tezaam...
Door Simson's laatste woorden trilde zielekramp. Nu hij gehoorzamen ging voelde de Hebreeuwer, in een warrel van benauwende gedachten, allerwrangst eerst zijn menschelijke eenzaamheid en hoe, in zelfzucht verstikt, eigen volk hem alleen liet staan...