257°
in al zijn bloeddaden en verpletteringen slechts persoonlijke wraak, in al zijn spot en hoon niets anders dan eindelooze verachting van den Naziraeër, van Simson zélf zouden zien? Nu de karakterlooze, o zoo zoet-vreedzame Judaeërs een Godgewijde uit hun aloud volk, in den strijd tegen Jehovah's beschim-pers niét uit eigen innerlijken aandrang bijvielen, doch integendeel zich bij stoeten bereid verklaarden, hem uit zijn weggedoezelde schuilplaats te lokken, te overrompelen en den wreedsten erfvijand over te leveren, — nu moest hij, in bezonnenheid, zich wel in hun macht stellen, opdat zijn volk-toet-het-ver-stikte-hart geen mishandelend kwaad geschiedde. Wanneer hij deze stamschenners de toortsen liet ontsteken om hém te zoeken, hier in het spookdonkere, het vochtzwarte labyrinth van holen, spleten en spelonken, zou hij duizenden Judaeërs kunnen dooden; zou hij een slachting kunnen aanbrengen onder deze benarden alvoor één hunner hem had gegrepen en gebonden. Doch de gedachte reeds, leek Simson smeulend verraad. Geen broederbloed zou ooit zijn handen besmetten. Neen, hij verwachtte geen hulp meer van de diep-gezonken Judaeërs, die een richter Israëls in blinde, onmenschelijke zelfzucht verloochenden!
Weer overviel Simson een smartelijke neerslachtigheid. Hij voelde zijn grenzelooze krachten nu koud verdorren in de spieren en een duizeling deed hem