255°
vogelen-gedaante in den avond stond uitgewischt.
VI
Simson kende de ijzig-huiverende vrees van dit balsturige, van dit onbezielbare volk voor de spook-sombere steenklove Etham. Hij kende hun schend-bedrijven, hun vleiende onderwerping aan d'over-weldigers van Israël's erfgebied; aan d'aartsvijanden van al de Hebreeuwsche stammen. Zij herinnerden zich niets meer, deze heimelijke gluipers, deze trage ingeslapenen, van opstand en vrijheid, van koelbloedige legerhoofden en dol-dappere richteren. Zij waren schandelijk-geschonden slaven die in de vallei onder rauw gekrijt tezaam joelden, om een roekeloozen kamp met onderdrukkers te ontgaan. Zij wilden liever wanstaltig broederverraad dan vermetele verdediging van Simson's schuilplaats ...
En nu te bedenken dat hij hier, in Etham, radeloos bedreigd stond van eigen volksgenooten; opgejaagd door het heilige volk, voor welks verlossing en verlichting hij alleen den menschelijken adem onbesmet hield...
In de dal-duisternis van Etham woelden opnieuw rumoerige drommen Judaeërs met opgeraapte speren, slagzwaarden en slingertuig, onder verward gemompel. Zij wilden hém vangen en boeien, terwijl hij had gevochten voor God's roem en voor hun vrijheid.