2SM
vah's? ... En nu ... nu,... hoorde hijj mètas dfcn: geschreeuw en geschimp van duizenden: cattrffawragiB־־ nen, die hem in zijn alleenheid met waapnranündfaaig*-den...
Met ontzachlijk klankgeweld plots, klón&SSmsan& stem naar de Judaeërs:
— Lafaards ... lafaards ... Gij allen, mèttwaair......
wilt met vrede in de ziel, tot uwe Vaderen? gpsm, <Hce eens de goddelijke openbaring op Sinaï aanüOHnÖBt}־
en tegen de Canaaneërs zijn opgetrokken!?......Tfha?-
raders van en saamzweerders tegen uw/ edggm ijiÜi-ter!... Wilt gij mij uitleveren, mij, dbasÜéksJMÖafP Maar ik ben tóch een uit üw eigen merg emtfliasHP......
Ik ben toch een strijder van het Oppemoawn, dim wereldbestuurder; een strijder die eem ggatttbèijHca belofte volbrengen moest tegenover zijn! vodkiaa^d volk-van-Jehovah, ontwricht en verzwakt:vamIIDtm£ÜE Zee tot Libanon ...
Het dalrumoer gromde en stomde ontaptt. ShtdL doorkrampt van schril-smartelijke ironie,,sjMttteeSBim״ son nu snijdend van stemme weer, smarteéljjfcactti afscheurend van zijn eigen hoop:
— Waar zijn toch uw teedere eet-gescHenlien), u»r schapen met vette staarten, voor de ontieamdiBuai), o vrijgevige en buigende Hebreeuwers, voonffilSomir en Dagon? ... Vermalen hun kaken nog׳ mtttgjmrafg, o verdelgende Judaeërs?... Wilt ge de BHiUsttjpters ook mijn Danieten-bloed laten inslürpean, nrijjn Danieten-spieren laten verslinden en mi j miteaidèirat!