246°
!bedreigd zien ... Simson, geef u over!... Laat u de handen binden door ons, Judaeërs!...
V
'Simson vóór zijne spelonken bijna geheel nu van schemerduister omfloerst, voelde zich innerlijk ge-ibroken van sma!rt en ontgoocheling. Hij, een muiter, een opstandige? ...... Hoe blind van oog en hart,
«dit Hebreeuwsche volk... Hij had verwacht, dat de *omgedwaalde Judaeërs hém, bondgenoot, hier van <de steenrots zouden oproepen om te strijden tegen ude roovende en uitmoordende Philistijnsche benden; om de onderdrukkers te verpletteren en uit te roeien, «n niet hem zouden hoonen om zijn zelfbeschamende wereering voor Asthoreth. Hij had gehoopt, dat zij !moed wilden zamelen en de uitlevering van hun !rasgenoot, onder tegenschimp en uit'arting zouden ,weigeren. Hij dacht, dat het oude strijdbloed in de woestijnzwervers weer opbruisen giag, als eertijds <onder Mozes en Jozua; dat zij nu gevapend, met hém als vechtreus aan de spitse, Simson uit Mehane Dan !tot opperhoofd waagden uit te roep'n. Want kenden :zij zijn toovermachtige kracht, onder Jehovah's !bescherming? Kenden zij zijn hait, als wreker van Israël? Wisten zij., dat hij kon toppen met walging <op den vischstaart van Derceto ut Askalon, al glimlachte haar vrouwengelaat begoochelend! Kenden zij zijn goddelijke uitroeiingsdrift van vijanden Jeho-