241°
sche boert, uw wraak woede;... strooiden wij asch over onze hoofden ...
Simson glimlachte en zacht klonk zijn stem:
— Hoort mij, mannen van Judaea ... Ik deed d'onbesnedenen, Canaanieten en Philistijnsche benden, wat ze mij deden!... Ik zal met steenen steeni-gen!...
Stemmen als stortende geluiden, golfden op- en over malkander, warrelden en scheurden vaneen in de donkere rotsen-daldiepte.
— Hij liegt...
— Neen!... Neen!...
Een Judaeër hief zijn kopergroenen kaftan en scheurde hem aan flarden, terwijl hij rauw jouwde:
— Niet luisteren!... Rebel!
— Rebel... rebel!...
— Laat de doodslaander zwijgen!
— Wij luisteren niet naar een rebel... dien vrouwengek... dien stormwind!...
— Spreken moet de Daniet... heuler met Midian en Moab!. .. Hij is geen rebel!... Hij zal spreken!...
— Spreek!
— Zwijg ... zwijg!. .. Laat hém spreken!
Al woester in de vallei, tierden krijtende stemmen der Judaeërs dooreen. Een jonge, herculische Lechi-tiet, zwaaide een drietandigen krauwel en schreeuwde als een bezetene, tot schrik en ontzetting der broederen:
— Hij is onze richter!...