242°
Anderen gierden mee, de stemmen als een orkaan:
-׳— Hij is ...
— Een morgenster van den Alziende ...
Toen kermden en joelden d'ouderen er tegenin:
— Neen ... neen!... Om vrouwlui brengt de Daniet onheil en ramp over ons, Judaeërs!...
Weer herculisch richtte zich de man met den krau-wel op:
— Hij is ons opperhoofd, onze richter!...
— Luistert oudsten ... luistert!
Hoonend snerpten er stemmen tegenin:
— Richter? ... Hij richter? ... Dat krassen de raven hier!...
— Neen ... neen!... Hij is wreker Gods!
Een krijger in blinkend kuras schimpte:
— Hij? ...
— Ja hij... hij!,, .
— Uit Zoreah!...
— Een roekelooze vrouwenroover is hij ... een zelfverheerlijker is de Daniet!...
— Een zondaar tegen God!... Hij wil ons groep-verbond breken ... hij, bezinger van Aschera!...
— Wij vergrijpen ons, mannen, aan een Godgewijde! ...
Uit de duisternis woelde óp de vervoerde stoet van jongeren. Zij kreten heftig en wild naar de
oudsten:
— Moordenaars zijn wij, van den reus Simson!...
— Wij geven hem niet over aan zijn martelaren!...