240°
teling; eer een Wreker Gods, ook hiér, in de rotskloof Etham ... Maar zijn de Philistijnen met hun heir-kracht niet namaals de meesters uwer broederen gebleven?... Zij willen geen recht, geen waarheid, maar macht... Zweren zij niet nog steeds bij hun goden der aarde en der wateren?... Hebt gij, leeuwendooder, ons van hun bloeddorstigheid verlost, van hun blinde vernielingen tot in de woestijnen van Syrië en Arabië? Spreek nu eens, zwijger!...
De dweepzuchtige derde oudste, Aharon, trad weer vóór en stootte feller en grimmiger uit:
— Mijn medestander, Simson van Zoreah,... vreest u, begenadigde, al te zeer!... Zijn stem trilt als van een gluiprigen verspieder die misdaden te verbergen heeft... Hij vreest u en uw geweldige kracht zóó dat zijn tong opkrult onder het lauwe gehemelte... Maar ik blaas over de palm mijner hand ... Ik vrees niets!... Als de Philistijnen ons het zwaard voorzwaaien, getart door uwe lichtzinnige, roekelooze daden... dan moéten wij ons wel redden ... Gij, Daniet, ongrijpbaar als een wolk wierook, gij man van vernielende opwellingen en zondige lusten, zijt geen opperhoofd, geen richter over onzen woestijnstam ... Gij, uitverkoorne, zoone Ma-noach, vecht alleen om de verdwaasde liefde eener trouwelooze vrouw!... Moeten wij voor dit verbeten wroetsel van uw wraakzucht uitboeten?... Al meer dan tien maal bracht gij ons in gevaar, met uw hel-