239
te stuiten is... Zij jammeren over hun omgebrach-ten ... Zij willen uw doodslag beteugelen ... Zij naderen met booze haastigheid... Zij weten dat gij u achter onze landspalen schuilhoudt, Simson ... Zij achten den tijd geboren, om u rijp te kneden voor uw slinksche streken. En wij, Judaeërs, blijven op onzen grond, voor u verantwoordelijk. Dat is God's vloek!... De Philistijnen, schimps-wijze, willen ge-wisselijk u doen, wat ge hun gedaan hebt met al uwe verschrikkingen! O, gij roekelooze waangroote, die u met een Godszending en een Godszegen belast acht,... gij brengt drachtig onheil over ons en hongersnood! ... De onbesnedenen willen u met sterken kabel gebonden, vóór hun troepen... Zij zoeken u overal. Verzet u, vreeselijke mensch, geladen met onweer en bliksem, niet langer en laat geen broederbloed vloeien. Gedenk de leer van Sem en Eber ... en vecht niet tegen uw eigen schaduw!...
Een vierde oudste, Oreb, wiens lepra- achtig gelaat bijna geheel in het duister uitwischte, temperde met zachtere stem de scherp-driftige woorden van zijn onstuimigen medestander en heesch zich op aan zijn staf.
— O groote Simson... wij erkennen in u heimelijk een held ... Wij weten,... de onbesnedenen besprongen u met grondelooze listen en ontweldigden u... de vrouw die gij minde ... Doch, weet ge, reeds de wijzen van Ur Kasdim leerden: op vrouwen kan geen man vertrouwen !... Gij zijt geen vluch-