238
opgewonden-scherp tot Simson, den Daniet. Een troep hoog-getulbanden zonder waapnen, jammerden in ontzetting en krabden zich het aangezicht open. Weer anderen, onder smartgeschrei, rukten zich haren uit sleepzware baarden. Even glimlachte de Naziraeër, tegen het joelende gedreig in. Onnoozele die hij was! In een droomerige gedachten-dwaling had hij ge meend een volksoproep, een verzet te hooren, om te strijden tegen de Philistijnsche onderdrukkers vóór Jehovah:
Ontwaak... ontwaak Deborah, Ontwaak,.. ontwaak... zing liederen!
De vreezend-driftige, derde Judaeïsche woordvoerder Aharon, wild zijn groot zwaard zwaaiend, schreeuwde onder angstige klem naar Simson's rotskloof op, dat de Philistijnen dol-van-woede met een groote legermacht opgetrokken, den Daniet levend opeischten en hem hier, in alle holen en gaten zouden zoeken, om hem bij zijn bekkeneel naar voren te sleuren!
De Naziraeër glimlachte beklaaglijk, toen hij vernam dat zijn voorzeggende vijanden tegen één man een gansch heir hadden opgesteld.
De fanatieke woordvoerder, eenmaal losgebarsten, joeg voort:
— Gij Daniet, geweldhebber, bevindt u op óns gebied! Zij speuren naar oost en west, tusschen nevel en duistere luchten, de Philistijnen, wier gram niet