236
Hebreeuwsche, oproerige strijdvolk tot Deborah en Barak?
Ontwaak ... ontwaak Deborah, Ontwaak, ontwaak ... zing liederen. Op, op Barak... en maak gevangenen, Gij zoone Abinoams ...
Simson, in aanbiddingsdrang, richtte zich nu hooger voor den grot-ingang op. Vervoering doorrilde zijn heele wezen, terwijl hij ruglings de geweldige naakte armen wijd uitstrekte langs puntige uitsteek-selen en zijn krampachtige vingers in spleten en scheuren tastten, van onbedwingbare ontroering.
— Een heirleger!... een heirleger!...
De Judaeërs, anders in martelende vreeze voor het woeste rotsendoolhof Etham, schenen nu alle benauwenis voor toovenarijen en schimmen te hebben verloren, doch de tweede woordvoerder, in een langen kaftan, den staf bevend vastgeklemd, met zijn scherp-uitgesneden dweepgezicht, deed Simson iets meer beseffen van hun doel.
— Simson ... wat hebt gij ons aangedaan? ... Gij wenscht van ons geen onderwijzingen... Daarom naderen wij, dreigend, in massa's, met onze speren en slingers ... toch met schroom ...
Streng, maar hoog-opgaande, beheerscht-in-rust, vroeg de Daniet, de begoocheling van zijn droomgezicht zich nu smartelijk bewustwordend:
— Wat wilt gij van mij, Judaeërs? ...