235
geschoren hoofdhaar ... de Eeuwige zegene u!...
Bergen-echo's verdwarrelden het ijle menschen-geluid. Jakhalzen en hyena's lachhuilden dooreen als duivelen die dan afdeinsden dan weerkeerden. Zwermen grauwe aasvogels omzwenkten de rots-spitsen ...
Simson had nu uit het grottenzwart naar voren kruipend, duidelijk met Hebreeuwschen tongval zijn naam hooren roepen.
— Daniet... wij zijn Judaeërs... herkent ge ons niet? ... Wij roepen u ... verstaat gij ons? ...
Een laatste gloedveeg, goudrood, als een gesmoord-paarse vlam, scheen hel over den spelonken-ingang, In dien verwilderden nabrand dook óp de Daniet, woeste reuzengestalte in den gehavend-scharlaken rok, halfnaakt, gelijk een oerschepsel, de gitzwarte, lange haren uiteengewaaid over de ontzachlijke schouderen. Vrees had er gesidderd in Judaeër's roepende stem. Toen echter de gewapende volksmassa in de ravijn, Simson zelf zag opdoemen, reuzengroot vóór de spelonk, in het aureoolende hemelschijnsel, zwermde er een angstrumoer uit als van panische vluchtelingen die elkaar in bezetenheid te verdringen poogden.
Naast den zwaar-baardigen Judaeër Jehuba, die het eerst bevend gesproken had, sprong een tweede, Aben Nadab, met een lanslangen, beschilderden staf de hand ingeklemd.
Simson begreep luttel van het gebeurende. Hoorde hij niet den geestdriftig-joelenden oproep van het