234
duizelend, over de rotswallen naar beneden tuurde. Toen, in den stervenden dagschijn, ontwaarde hij een half-donker-krioelend woelen van haveloos-gewapende mannen in purperen, blauwe en witte hemdgewaden dooreen, onafzienbaar, in de vallei. Al meer, al meer zag hij opdrommen; al nader zag hij gouden oorringen en koperen schilden fonkelen. Al sterker hoorde hij menschen-gedruisch onder een hartstochtelijk-gejaagde stemmen-dwarreling. Onthutst, als in een zinsbegoocheling, sloop Simson terug naar het duisterende spelonken-diep. Zou hij ontdekt zijn en waagden de schelmsche Philistijnen, in hun gram, tot hier op .te trekken? ... Maar hoe konden zij in den avond, wankele sluipwegen betreden van dit rotsen-doolhof, zonder in afgronden neer te storten? ... Doch had hij niet zelf in wellust en bloeddaden tegen Jehovah, in brandende begeerlijkheid, gezondigd? ... Was dit nu al de straf? ...
Weer naderde Simson den spelonken-ingang en schichtig keek hij naar omlaag, in de stemmengon-zende daldiepte. Flauwer ontwaarde hij in de schemer-roode ruimte, flikkerende messen, snavelfijne speer-spitsen en boogdragers naast slingeraars. Terzelver-tijd klonk een trillend geroep door de avondstilte van Etham:
— Simson!
Hij zweeg en roerde zich niet.
De roep, galmender en zalvender herklonk:
— Simson, zoone Manoach... man met het on-