233
ademtocht van Sichema's wezen terug?... Heer, gij, die onder het vormlooze duister mijner angsten mijn arme ziel opgraaft,... laat mij kermen en schreien in harte-droefnis, om haar!... Want zij ziet niet meer, zij hoort niet meer, zij spreekt niet meer!... Ik scheen een spottend en tergend vriend van de kustroovers! Ik lag met hen aan en schertste hoonend over den heidenschen heldenmoed hunner kreupele krijgers, die schuw als de jakhalzen, den leeuw spijzigden. Ik nestelde mij tusschen hen, op Uw verzwegen wil, doch Sichema, in haar toover en bekoring, had ik lief!... O Eeuwige... wees mij in mijn smart en verblinden harte-angst voor haar die mij verried, genadig!... Verlos mij van mijn ontembare drift en armelijken hoogmoed ...
Simson's stem, in d'avondstilte, beefde hevig. Holen-hyena's, dal-jakhalzen en roode wolven jammerden en lachhuilden ijzingwekkend in de verte. De steenrots Etham in haar ontzachlijke roofvogelengedaante, stond nu rosvaal, bijna uitgedoofd van zonnevuur.
IV
Plots, in den heiligen schemerdroom, hoorde Simson beneden in de duisterende, stilte-diepe ravijnen, een dwalend gerucht dat naderde met grom-mend-aandreigend stemmenrumoer. De Naziraeër ontstelde hevig, terwijl hij van zijn spelonken-hoogte,