331
mond dichtgeknepen. Hij wilde zijn moeder zacht toespreken en haar blinde angsten om zijn afdwalingen en vechterijen sussen. Hij wilde haar vertellen, dat hij het groote leven nog altijd liefhad en met zijn ongeschonden ziel den Eeuwige toebehoorde. Hij wilde haar verhalen van zijn sidderende vervoeringen, zijn droomen als richter en Naziraeër, en dat hij aarde en hemel voor de Hebreeuwers en al zijn volksgenooten wou beërven met zijn heldendaden. De glans van het engelengelaat dat Zelalphonith eens was verschenen, lichtte altijd nog heimelijk na in haar dan starende, vrome, dan smartelijk-stille oogen. Hij, Naziraeër, die niet voor zichzelf, maar voor God's volk streed, verlangde naar zijn teedere, zoete moeder, naar haar eeuwenoud-heilig en onzelfzuchtig woord, dat zij hem bij ieder avondgebed, als knaap al, had ingefluisterd.
Ook nu weer voelde Simson zich door een smeek-lijken gebedsdrang verteerd. Wanneer hij zich tot den Eeuwige keerde, wierd zijn zwaar-geteisterd menschenhart altijd licht en ademde hij in duizelende verrukking. Want behalve tot zijne biddende moeder, sprak hij bijna nooit met anderen, over zijn uitverkorenheid en roeping. Alleen voor God biechtte Simson zijn heilig-nederige gedachten, zijn opgezweepte droomen en dwaas-zinnelijke begeerten, die altijd met een hoonenden gil zijner ziel weerkeerden. Ook nu weer stamelde hij zijne woorden uit, alvorens de nacht viel over Etham; riep hij prangend den