239
en licht, zou hij dadelijk kunnen grijpen, achterover werpen en dooden. In deze ontzachlijke spelonkruimte opende zich holte op holte en grot na grot, als door enge wendingen aan elkaar gemetseld, of door half-weggezakte, kantscherpe stutmuren en afgebrokkelde trapsteenen, van elkaar gescheiden Mateloos diep strekte zich zaal na zaal, galerij boven galerij en vooral in de leege kruisgangen, zoo nauw bijeengeduisterd dat ook Simson er doorheen moest kruipen, klonk bij het ijlste geritsel, een geheimzinnig, vaag stemmen-geruisch als van een onzichtbaren stroom. Van den roodachtigen aardebodem stegen kilte en hitte tegelijk op met een geur van zwavel-bloemen. De rotsspits van Etham boorde boven de hoogste Judaeïsche bergtoppen, den zengenden hemel in.
Honderden halfdonkere holen en afgrijselijke gaten kronkelden tot smalle paden tezaam over den rood-achtig-zwarten bodem, naar den spelonken-ingang waar Simson te droomen zat. Nu, in de avondschemering, na hevige zonnehitte, kwam er een westenwind koelte wuiven langs Daniet's bezweete slapen. Overweldigd wierd de Naziraeër plots, door de gedachte aan zijn gebenedijde, godvruchtige moeder, die nü onder Iooverstille vijgeboomen, misschien naar hem uittuurde, in zelfkwellende wroeging. In de eenzaamheid der rotsholte hier, zag hij Zelalpho-nith voor zich; het zilverwitte haar, de groote starend-droeve oogen, den zwijgend-verwrongen leed-