229
massa's, waartusschen slangen wriemelden, walmden zenghitte af, en hooge grot-gaanderijen vingen laatsten stralengloed als van een vergaard haardvuur dat stervend uitflikkerde.
De Naziraeër, in sombere alleenheid, bepeinsde weer zijn handel en wandel; het onversaagd driftig en gejaagd gericht dat hij over de Philistijnen had volbracht. Hij wilde Sichema op de wandaad harer eigene verachte rasgenooten, in een haathymne zijner vernielkrachten wreken. Hij had in smart en geluks-bezetenheid, de vrouw gewroken die hemzelf met sluw verraad, een geheim te ontpersen kwam; een zwoel-lokkende vrouw, die zijn ergsten vijand tartend tot bedgenoot koos, na een toornig afdalen tot Zoreah...
In dit huiveringwekkende schrikoord Etham, in deze rotskloof met grillige uitwassen en versteeningen, overal zwaar van dreiging en schaduwende geheimenis, wist hij zich veilig. Want de Judaeërs waagden de spokende rotsmassa's zelfs niet te naderen; óók niet in de middaghitte. Iedere vreemde die tusschen de steile bergwanden intrad, voelde zich verloren; verdwaalde in de stikduistere, diepe zijnissen, in de kronkelende gaanderijen, of struikelde d'onderaard-sche holen binnen, waar bronstige scorpioenen elkaar verminkten in een schroeiend donker. Alleen Simson kende richting en tegenrichting, en wist de labyrinthgeheimen van het duizelhooge, steile gebergte. Ieder schepsel dat indoolde, verrast door nacht, schemer