228
rond te dwalen; en geen schaapherders der Judaeïsche heide of akkerbouwers van naaste berghellingen, geen inwoners uit de woudstad Kirjath-Jearim, uit Ir-Semes, en geen moede zwervers uit zuidelijke zandwoestijnen waagden zich tegen avondval, in de nabijheid der hemelhooge, schriklijk-woeste, roodachtige en geel-grauwe rotsmassa, waaronder de hel blakerde, gelijk het heilige volk in angstige tale namompelde ...
Simson, in zijn verbitterde eenzaamheid, tuurde den smal-lagen spelonken-ingang uit naar den aandonke-renden hitte-hemel waarvan het blauw violet weg-zwijmde in schemering. De Allerhoogste, in al zijn majesteit, Schepper van uitspansel en aarde, zou snel de starren doen uitflonkeren, ook voor hem, die in d'overweldiging zijner hartstochten, weer het zondige vleesch had gediend.
Van het Westen uit brandde zonnegoud een spuiende lichtglans die rotsgesteente en kloven van verzengd Etham wild-wijd overgloeide. Een vreemd heimwee doorrilde Simson en in een kramp van ziele-pijn wrong hij zich machteloos saam. Achter zijn rug gaapte de duistere, ontzachlijke diepte van het spelonken-labyrinth. Drommen rossige vleermuizen, onder vleugelengeknetter en valschermen-geschuur tegen steenen en hoeken, richtten de koppen op; cnthaakten de achterpootnagels uit krijterige spleet-grceven en begonnen gejaagd, onrustig, zigzag te fladderen langs de nog schichtig-oplichtende topge-welven. Kelderachtige holen, gaten en woeste steen