227
En weer klonk op, spotdreigend, aanvoerder's stem:
— Hij is gevlucht naar de spelonken en holen van Etham, deze heldmoedige ... Gij Judaeërs, zult wel weten waar... in welke rotskloof hij schuilt en zijn heilige dansen afspringt voor uw beschermer Jehovah, driewerf heilig!... Wij, eedzweerders, kennen geen erbarmen ... wij schuwen uw tranen ... Zoo gij niet binnen eenige dagen ons dien ellendigen tuchtiger uitlevert,' die geen wijn en geen gebraad roert... zullen wij uw akkeren in brand leggen, uw maagden schennen en uw mannen duimen van voeten en handen afhouwen en de borst openklieven en met gloeiende steenen steenigen ... Daarna zullen wij Dan uitroeien en Judaea!...
III
Simson beveiligde zich nu al dagen lang in het ongenaaklijk rotsgesteente Etham, dat ontzachlijk tegen den Judaeïschenavondhemeluitgehouwen stond als een groote roofvogel, met ingekromden nek en halfuitgeslagen, grijze vlerken, loerend op prooi. Voor deze spookvormige, vale rots, drie uur gaans van Jebus, huiverden de dwepend-bijgeloovige bewoners uit het westelijk Judaea-gebergte, in vreeze terug. Over klove Etham en gruwzaam-donkere dal-diepten, insnijselen tusschen loodrechte rotsmuren, zweefden in alle getijen, onheilsschaduwen die dreigend schenen