235
water en melk drinkt, doch zijn knuisten alleen in ons vijandelijk bloed laat zwelgen. Hij is een aanrander, die onze mannen heup, voet en schenkel kreupel slaat...
De Judaeërs ontstelden, toen er verre krijgsbazuinen klonken uit het Philistijnsche kamp.
— Wien zoekt gij? ... vroegen de mannen angstig en snel wisselden zij vinger-teekentaal met malkander.
— Wij zoeken Simson uit Zoreah, den geweldigen reus, den woesten Philistijnen-dooder, dien gij ons moet uitleveren. Hij heeft onze akkeren, onze olijf-en wijngaarden verwoest, onze landslieden overweldigd, verminkt of neergeslagen. Hij heeft de vijandelijke stammen getart en onze tempel-orakels gehoond. Wij eischen nu van uw volk zijn levend lichaam ...
De Judaeër greep naar zijn baard. Zijn groote agaten-zegelsteen vlamde woedend. Bang aarzelde Judaeër's stem:
— Simson? ... Zoekt gij Simson?... Bij den Heiligen berg Jehovah's!...
— Ja, Simson uit Dan, dien zelfvervloeker met zijn stiermonsterkop als Og, het Raphatisch wangedrocht uit Basan,... dien koudwaterslurper, dien wij nu zullen slaan op schenkel, heup en voet, gelijk hij ónze mannen minachtelijk tuchtigde;... dien wij zullen ontmannen!...
De Judaeër kromp saam en keek ontzet naar de andere stadsregenten met de verschroeide huiden.