225
koelen. Aan de vernielende en wrekend-goddelijke machten moest Simson prijsgegeven worden.
In rumoerige garnizoenen trokken zij op, onder wild krijgsgeschrei, naar Ramoth-Lechi te Judaea. Daar legerden de Philistijnen zich, doorzochten het land en eischten saamspraak met de oudsten.
De Judaeërs, die tijdens de woestijn-zwerftochten zich al van het stamverbond hadden losgewoeld, doken op in benarring en de Philistijnsche legerhoofden, met de flikkerende speerspitsen vooruit, omringden hen dreigend. Een reushooge troepen-aanvoerder, Maacha uit Jamniël, sprak:
— Judaeërs... gij vraagt ons waarom wij verschijnen met zulk een machtig leger? ...
De Judaeërs bogen en een oude uit het stadsbestier, antwoordde:
— Wij zijn, o roemruchtige krijger, ons van geen kwaad bewust! Aan al hetgeen de Philistijnen in stormloop van ons eischten, is door ons mild voldaan, Zonder verademing: schatting, geld, vrouwen, vee ... Zelfs gruwzaam, brachten wij u verzoenende kinderoffers ... Niet één uit den stam Judaea misdeed iets tegen u ...
Philistijn's oorlogskuras fonkelde in zonnen.
— Gij verontrust u over ons verschijnen... en toch zijn wij ü noch uw magen kwaadgezind... Wij willen alleen één schuldige uit uw volk treffen met een godsoordeel!... Hij is een moordenaar, een hongerige roover, een brandstichter, die slechts