224
ten zuiden, weer begeerde op te trekken naar den voet van den berg Hermon, gelijk vroeger, toen uitgeweken groepsgenooten als bezetene boogschieters vochten tegen de godsbeelden-aanbiddende Tsidoniërs en Canaanietische keurvorsten, om in het Noorden Laïs te veroveren en rondom vruchtbaren grond te bezetten nabij het sneeuwwitte zand.
Zoo bleef Simson, de eenzame, die wel vóór doch nooit mét zijn prophaan volk en de elkaar beoorlogende broederstammen streed. Hij, als Daniet wist, dat de Judaeërs hem niet zouden beschermen tegen Israël's vijanden en dat uit Ruben, in het Transjor-daansche land, door moordenarijen en gewelddadigheid van Ammonieten schier geheel uitgeroeid, geen strijdbaar schepsel hem zou bijspringen tegen de gehate roovers van de Groote Zee en Philistea. Daarom was hij gevlucht naar Etham.
II
De woede over Simson's brandstichting en gewelddaden tegen Thimnatha en haar landlieden, de toorn over zijn uitdaging en spotternijen, brak teugelloos los onder de Philistijnen. Zij zwoeren bij Dagon, Baal-Zebub, al de heilige vischvijvers van Derce en bij al de heilige slangengif-drinkers, dat zij den tuchtiger lévend moesten in handen krijgen of op heel Judaea, op vaneengescheurd Dan, op Simeon en Benjamin, op Ruben en Gad zelf hun moed zouden