VEERTIENDE HOOFDSTUK
I
Zoo ook, in innerlijke verwarring en volksmengeling, onder regeeringloosheid en wetloosheid, stonden de erfdeelen in booze hebzucht en eerroof tegenover malkander, toen Simjon de Daniet, zijn wrake op Israel's vijanden, de veroveraars van Canaan's kustgebied, de Philistijnen, had aangevangen.
Simson kende den heeten naijver der Hebreeuwers, en wist dat Judaea en Ephraïm en de loensch-spieden-destammenin Transjordanië, inschier even woedenden haat elkaar beschimpten als de heidenen uit de Sy-risch-Aziatische woestijn. Hij wist, dat zij elkaar het doodenrijk invloekten, de eeuwige duisternis, waar goede noch slechte mensch ooit uit weerkeerde. Hij wist, dat het beschimmelende heiligdom te Schiloh, met zwakken bazuinenklank slechts beschermd stond door Aronieden en Levieten, die den sterrenstand nateekenden met bevende waarzeggershanden. Ook wist hij, dat de stamme Dan, armelijkst bedeeld tusschen Ephraïm ten noorden en Judaea