220
brandschatten en verdrukten smadelijk het volk van Abraham. Van de Jordaan tot Gaza toe, vernielden zij onweersprekelijk, in wraak op de indringers, woningen en landouwen; roofden al het vee, al de runderen, bedwelmd van eigen machtswellust. En weer klonken er noodkreten en smeekgeschrei uit zieleangstig Israël, der afgedwaalden, naar d'Almach-tige. Toch, onder het smeeklijk aanroepen van Zijn naam en van Mozes' heilige wet, verloochenden zij, als verharde boosdoeners, Hém in al hun zwelgerijen en brassende lusten. Telkens stonden wonderdoende helden op, door heilige strijders omringd, die de Baaialtaren versplinterden en telkens weer kropen de ge-ZweetdoekteHebreeuwers saam in de gewijde bosschen; aanbaden gruwel-afgoden, verfoeiselen van heidenen en oogden, besmet van vadsige weeldezucht, het spoor van witte ezelinnen na op de bebloemde heuvelen.
Onder de Ephraïmieten vooral, heerschte opwindende eerdrift, omdat Jacob hunnen stam triumphee-renden voorrang had geschonken, boven d'Over-jordaansche erfbezittingen Ruben, Gad en HalfManasse, door Mozes zélf nog verdeeld. Bóven Juda vooral, — op wien, door Ruben's bloedschande met Bilha, zijn vader Jacob's bijvrouw, het eerst-geboorte-recht was overgegaan, — begeerde Ephraïm uit te schitteren en ze vochten gewelddadig om faam en naam, tot in Benjamin, dat zetelde in het Jericho-gebied. Als één erfdeel der kinderen Israëls wierd aangevallen,