221
geplunderd en vernield door Canaanieten, dan schoten geen weifelmoedige broederstammen uit innerlijken vereenigingsdrang te hulp, doch bleven met wrokkend en venijnig leedvermaak, de vernietiging van eigen bloed aanschouwen.
Zoo heerschten er kervende afgunst en armoede onder de erfdeelen, door zieken naijver en broederhaat. In streefzucht gekrenkt, onder schuimende woede, raasden de Ephraïmieten, de kalveren-kussers, gelijkerwijze tegen Jephtach, tegen de Gileadieten, en beleedigdenmet smaad en schimp, vermetele en hevige strijders voor Jehovah's glorie. In weerwraak verdelgden de Gileadieten de Ephraïmieten en wreekten Jephtach, den beleedigde om zijn duistere geboorte. Al wilder en tyrannischer groeide vijandelijke naburen-macht tegen vaneenscheurende hulpeloosheid der twaalf stammen, die niet meer ontwaarden wat opwaarts boven den hemel geschiedde. In uitzinnige woede geprikkeld bleven, naar voorbeeld van despotisch Ephraïm en Gilead, stambroeders, tarwedorschers en herders elkaar uitmoorden of verminken en God's wet ontwrichten. Opnieuw jubelden Canaanieten, de oorlogzuchtige mannen van de zuidoostelijke grenzen; de krijgers van Moab, van Edom en Ammon, van Amalek; en het onheimelijke gejuich der Philistijnen aan de westkust nam geen einde, om deze uitroeiingen van eigen stambloed. Want geen volk was zoo in duivelsche begeerigheid, kracht en krijgersstoutheid uitgegroeid als de Philistijnen, aan de Zuidwestelijke
Sim^oii. 15