219
en hemelnevel. Zij zocht den Bliksem van Israël, den held-richter Barak uit Issaschar. Doch ook deze Moeder Israëls, — peinzende en biddende onder een wijd-uitschaduwenden palmboom die kronkeldiep wortelde in Ephraïm, — ook deze heilige vrouw, met haar bezeten zegelied en haar ziensters-ingevingen, die ontvlammingen van ongetemde nationaliteit ontstak in de ziedende zonen Israëls, kon de wroetende verdorvenheid van Jacob's kinderen en hun afgodi-schen zwijmel slechts kortelijk tegenhouden. Zij zegende wel de vermetele mannen van Zebulon en Naphtali die tot den heiligen oorlog van Jehovah waren toegetreden en zich aan den dood prijsgaven; zij hoonde wel Ruben, die onder gebluschten moed, bij zijn kudden vee, schaapskooien en herdersfluit bleef dralen, en Dan, die benard uittuurde naar d'ijselijk-grimmige godenmaskers op blinkende voorstevens van Phoenicische schepen; zij spotte wel met Asscher die het kustgebied en de zee loom, als in een droom van licht en wasem, bleef overstaren; zij be-juichte wel de koene krijgers die Sisera onderwierpen en landbezit terug-veroverden,... maar haar stout roepen om blijvend verweer, smoorde en stierf weg in den scharlakengloed der avondlijke woestijnruimte. Ook na haar dood verzonk Jehovah's volk weer in verwildering, afgoderijen en zonde, door vadsige verzuchtingen uitgeput en ver van alle saamhoorigheid. Weer stonden Midian en Amalek, met schrikkelijke ruwheid en onverhoede aanvals-daden op, plunderden,