2i6
nieuw wierd Israël overwoekerd door spotters en vernielers, die d'overwinnaars tartten en hoonden, gelijk Jozua te Sichem kort voor zijn dood waarschuwend had voorspeld. De heidenen roofden tarwe, gerst, vruchten van wijnstok en olijfboom en vijg. De heidenen roofden rund en melkvee, en Israël, snakkend naar rust en vaste woonplaats, moe van het zwerven in woestijn en steppe, aarzelde. Zoo ging uit het noorden, het oosten en het zuiden van het Heilige Land, een blindslaande warrelstorm tegen de Hebreeuwers op. Toen smeekte Israël, in benauwing en verteedering; schreide het naar den Eeuwige, en Othniël, zoone Kenaz, ziener en bezielde Gods stond op. Ook op hem was, als op den eersten richter, de geest van den Eeuwige. Othniël, Kaleb's broeder en schoonzoon, die eens onder Jozua de woest-wanstaltige Enakieten en verstrooide roofhorden van het Judaea-gebergte, — kinderverbranders en tegennatuurlijke ontuchtigen, — de schedels vermorzeld en ze met het zwaard weggezeisd had, vonniste onverschrokken zijn afvallig en dwalend volk, met snerpend-striemende taal en bedreigde het met een donkeren dood. Othniël eischte gemeenschappelijke stammen-verdediging ... Even wierd het stil onder Israël; een stilte als op bergtoppen. Toen, achter dreunend-schei trompetgeklank der voorhoede, trok Othniël verder naar goddelijke beschikking en vocht heldhaftig tegen den Idumeï-schen koning Cusan Risjatthaïm. Hij overrompelde en versloeg de zwaar-gewapende krijgsscharen van