2x5
Amalekieten drongen bijeen, om wankelend en bloedend Israël met oproerkreten te benauwen, in het schild te varen en onder zijn hemelbanier te verstrooien. Judaea en Simeon hadden saamgevochten en overwonnen. Zij zongen, de krijgers, na het vuur-visioen van Mozes uit het Levieten-geslacht, op den heiligen berg Sinaï, te hebben herdacht:
—De schaduw der Canaanieten is van hen geweken...
Doch de heidenen in hun midden, wierden door de verwantschappelijke Hebreeuwers verpletterd noch verdreven, ondanks het vergramde bevel van hunnen Heer en beschermgod: erfvijanden en afgo-disten niet te dulden in de nationale gemeenschap met Jacob's nakroost. Canaanieten met hun vazallen en koninkjes, bleven op Palaestijnschen grond oorlogzuchtig geworteld. Philistijnen bleven op den heiligen grond oorlogzuchtig geworteld en de gloei-heete kusten milddadiglijk overwoeien met hun nazaat. Jebusieten verschansten in krachtverterende woede zich achter al-ongenaaklijker wallen. Barbaar-sche Amorieten doemden op in nieuwe veste, achter nieuwe muren, geweldiger dan de verwoeste opgetrokken. Noch Ephraïm noch Judaea voldeden aan Jehovah's goddelijk wraakgebod: alle erf hatende af-godisten door nek en strot het zwaard te stooten en geheel uit te roeien op de heilige aardplek. De Ephraï-mieten, vermengd met heidensche stammen, schonken graan en oogst aan vijanden en indringers. De oudsten zuchtten uit angst voor steeniging, en zwegen. Op