217
Aram Naharayim, tusschen Euphraat en Tigris. Speren bliksemden, van zonsopgang tot zonsondergang, en menschenlichamen over elkaar heen, van vriend en vijand, verstijfden in eikaars bloed. Othniël bracht vrede met het rondzeisende zwaard. Hij heerschte in standvastigheid, over ongetelde belagers van Israël en over Hebreeuwers, veertig jaren lang, in edel richterschap en eeuwige eerbiedigheid voor den Allerhoogste; zijn kuische ziel als ondoordringbaar schild tegen alle verlokkingen en dwingelandij. Daarna woelde nieuwe onrust weer in verslapt en roestig Israël op. Toen Othniël tot zijn volkeren was verzameld, vielen Jacob's kinderen en al zijn erfbezittingen in handen van den praalkoning Eglon, den Moabiet. Met Ammon en Amalek versloeg deze het versaagd en weifelend Israël, dat dobberde onder geweld en vrees, en vernederde de heet-gehate woestijnzwervers, bespotte, smoordronken van zware overwinningswijnen, de Hebreeuwers als reuzen-dooders en Ena-kieten-verslinders, naar Kaleb's wraak-winnend voorbeeld, en schimpte hen melaatschen en pestaanbren-gers en uitgenepenen. Weer weggetrapt als cijnsbaren en slaven, verrichtten zij zonde en misdaad en verloochenden Jehovah in goddeloozen, heidenschen zwijmel; aanbaden zelfs^ met gebroken stemmen, Dagon der Philistijnen. j
Doch weer, na jaren van uitputting en verdierlijking, klonk hun bezield geschrei op, bij de borrelende waterbronnen, naar den Eeuwige, om gena. En weer