222
ziels-doorstooten volk. Othniël verscheen tusschen schenners en bezetenen, dansende in ontucht en verbijstering om Israel's verzonkenheid. Othniël verscheen, de Godsman, doorhuiverd van Mozes' woord, het heilige Godswoord van den heiligen wetgever en aanvoerder uit Sinaï; het brandmerkend woord Jehovah, hard en meedoogenloos als het roode graniet van de Sinaïtische rotsen en plotseling als een rukwind. Zooals al de dagen van Jozua, het volk Israël den Eeuwige had gediend in ootmoed, zoo keerden zij tot Jehovah en zijn mondelinge wet, tot de Goddelijke leer, de Thora terug; verheerlijkten zij den hoogsten verkondiger van menschenheil en verstieten de zonnegoden, de Baal-Melechs, na Othniël's vonnissende taal. In omwentelingsdrift en opstandings-drang vloekten zij weer hoonende, lasterende en overmoedige volkeren, die rondom hen waren. In geween, snikkend berouw, het met-de handen-zegenen der Wet-tafelen, gaven zij zich opnieuw den Eeuwige over. Othniël zou strijden tegen Mesopotamië, Aram Naharayim, tegen buitenlandsche bedwingers en voor innerlijke saamvoeging van Israël.
Op Jehovah's bevel was reeds, vóór Othniël, Judaea, de eerste lot-erfdeeler, in valschen naijver bestookt en losgelaten door Ephraïm, slechts met hulpe van het zwakke, toch kloekmoedige Simeon, innig-vereenigd opgetrokken tot de onderste poorten van het onmeetbare Jebu, tot uitroeiing van Canaanieten en Ferizieten. Judaea en de zwakke Simeon uit de