212
muren en uit valleien; de vromen, die altijd weer de volksherinneringen prikkelden en nazongen Bileam's woorden voor Balak:
Gezegend, o Israël, die u zegenen ...
Gevloekt, o Israël, die u vloeken!...
de vromen, die Mozes' diep-verduisterde smart-oogen de vlakke velden van Jericho en de vlakke velden van Moab, — waar toen d'Edomieten doolden één uur voor propheet's dood, op den berg Nebo, tusschen Abarim's heuvelen, — zagen overstaren,... jammerden en smeekten in donkere wanhoop en beroering, den Eeuwige om hulp, om een richtend leider en straffend aanvoerder gelijk Jozua. Jehovah zond volkswrekers uit Ephraïm, uit Judaea, uit Gilead; geweldige gestalten, die op heiligen grond van Palaestina geboren, schrikkelijke slooping van eigen kracht, verslaving en verdierlijking in wellust en hoererij van eigen stammen, kenden uit eigen bloed. Richteren verschenen, door God gezonden, midden tusschen het wulpsche maatgezang der afgodische lokvrouwen, tusschen het zoet-verleidelijk geklank van fluit en harp. De richteren doken op, midden tusschen willekeur, verwarring, heerschzucht, afval en blind, bar-baarsch geweld van Canaaniet, Ammoniet en Philistijn. Othniël verscheen, de zoon van Kenaz, uit Juda's stam, zwart van gram en verbittering tegen festijnen, tafel-schuimende schransers en boeleerders van zijn