211
bering, en laffe muiterij en weerspannigheid, vernietigden de stammen eigen almacht, uit Sinaï voorspeld, en al hun aartsvaderlijke erfdeelen bleven in doem en kommer verdrukt en overschaduwd; bleven schatplichtig, vernederd, in zonde geslagen. De uitverkorene stammen, de heilige geslachten die zich tot een strijdbaar volk moesten herscheppen, van wie Bileam tegenwils propheteerde: — een star zal uit Jacob opgaan en een scepter uit Israël... en al de zonen van Seth uitroeien, — verschrompelden gelijk radelooze waterscheppers en hijgende houthakkers, nederig en onderworpen-in-schijn, als de ééns Jozua misleidende Gibeonieten. Wulpsche zwijmel duurde voort naast misleidende macht van waarzeggers en overal, op hoogten, wierden door Israël de Canaansche en Kenizietische afgoden gevierd; onder Hebreeuwers even onmenschelijk, wreed, woest en tot verslindenden waanzin en heete gramschap opgehitst, als onder Canaanieten en Amorieten. Alleen in angst en on-spoed, in noodgeschrei en ontsteltenis kreten zij den Heer toe.
VIII
De oudsten en wijzen, die Jozua's inneming en vervloeking van Jericho, de Palmstad, als eerste veste, en van Aï, nog dagelijks in hunne smeekgebeden herdachten en een bevend bazuingezang aanhieven als er toen goudschallend had geklonken boven ring