2io
Deborah. Besmet en gevonnist was dit geroepene volk nu, met al de giftige zonden en brandende wellusten van vijand's eigene afgoderijen en toovenarij; van heidensch-bacchantische zwijmelfeesten; nu zelf harts-tochtelijk-radeloos overgegeven aan Caiaanietische Baals, van Liban tot Aroër in Simeon; nü zichzelf uit-stootend. Mozes, verdelger, — ademende in God's straffende gerechtigheid, — was dood en de kwetsbare heugenis aan de twistwateren te Kades en de woestijne Zin, uitgewischt in een verwarrende duisternis van ongeloof en rouwbedrijf. Geen Aaron ging meer rond met vlammend reukwerk en pekzwavel, om de pest af te wenden, onder de scheurzieke gelederen, onder runderen en schapen. Ook Mozes' koperen slang kon door-buikkruipers-gebetenen geen genezingen meer aanbrengen, als ten tijde der laatste omzwervingen van God's volk nabij de Schelfzee. Jozua, de toome-looze, was dood en zijn schim vreesde het cijnsbare volk Israël niet meer, in al zijn verdwaasde murmureeringen. Het begeerde vadsige rust en stoffelijken vreê. Alle drift naar hooger lei gesmoord in hart en ziel. Het hoorde niet meer den Heer spreken:
— Gij zult hun altaren verwoesten, hun boomen afhouwen en niet bukken voor een anderen God!...
Geen Achan wierd meer wreedelijk voor roofschatten gesteenigd. Geen Kaleb noch Jozua meer bedreigd als vermetele spieders. Het wild-oproerige bloed van Korah's, Dathan's en Abiram's begon weer te gisten in hun bedorven aderen. In schande, ont