2og
Canaanieten-wraak, als opnieuw afgeluisterd van Bileam's voorspelling en vertroostende smart. Van allen kant wierden ze omwoeld, de vroegere slaven en onderworpenen uit Aegypte, hooghartige Hebreeu-wers die zich beriepen op hun Canaansche erfbe-zittingen. Ferezieten, Sichemsche Hevieten, Phoeniciërs, Philistijnen, Moabieten tusschen Arnon en Jabbok, Midianieten, glansdonker-gebronsden uit Cush in Woest-Arabië en Amorieten verdoemden de wispelturige Ibrim, die op hun droesem bleven drijven; die behalve het bestieren van hun kudden bokken, schapen, koeien en ezelen niets kenden, niets verrichtten dan alleen de ziel van naburige volkeren in hevige onrust brengen en brandende ondeugden der stammen, in eigen bloed overplanten. Met daemonische vreugde aanzagen Ammonieten, bezoedelde Loth-kinderen, ten oosten; de Phoeniciërs-macht overgroeiende Philistijnen ten west-Jordane; Moab, ten zuiden; Arameërs, ten noorden, val en krachtgebrokenheid van Israël, en wranger blijdschap schonk hun nog het hooren snikken en schreien van vromen, die van Jehovah's leer niet waren afgeweken, over bedreven gruwelen van eigen woest volk; vromen, vol deernis en bekommering, die van Jozua spraken in hartroerende ontzetting en stille eenzaamheid, dag en nacht, met bloedliefde; die verhaalden van Sichon en het schriklijk menschgedrocht Og en van veldheer's luisterrijken tocht over de Jordaan, alsof hij nog leefde; die van de richteren verhaalden, van Othniël en