207
netjestaai over gansch Palaestina. Het lijfbergende Israël, voor Canaaneërs nog altijd verachtelijke indringers, scheurde zich af van God's woord, van Jozua Ben Nun's ban en bogen de werpspiesen krom. Heel Israël's strijdkracht was uiteengevallen. Het zwijmelde onder verlokkend genot van sacramenteele godenspijs en offeranden-maaltijden en tempeluitspattingen. Allen bijsteren wellust en uitdelgende bandeloosheid namen zij over, en door alle razernijen wierden ze verzwolgen als hoorngeschal in de ruimte. Heel Israël, van veevorst tot poortwachter, door beeldendienaars van ruwgehouwen steenen, van te-muna en drekgoden, door geweldenarijen en woest oorlogsgeschreeuw van veeroovers en landplunderaars uit de kuststreek opgejaagd, verzonk allengskens dieper, en iedere Hebreeuwer, in carmozijn-kleurigen rok of in grof-blauwwollen hemd, bleef eigen veiligheid achter grenzen van eigen Erfdeel zoeken ter behoudenisse of uit baatzucht. Baalim en Astharoth, op den heiligen boomgaardenberg Carmel en op den woest-begroeiden Thabor, waar ééns Deborah's kui-sche roepstem verklonk, zagen de Hebreeuwers in de wulpsche aangezichten, terwijl hun oneerzame monden duifachtig-onnoozel mompelden: de Eeuwige, onze God, de eeuwige God der vaderen, die ons verankerde in Canaan ...