2o6
hadden bewoond en bewerkt. De stammen Aser, met rijke, vette aarde; Zebulon, naar Lea's zoon Naph-tali, nabij het Boven-Jordaan-dal en het gebergte; Issaschar, uit de vlakte Jizreël en noordelijk Dan, leefden in vleesch en geest sa&m met Phoeniciërs-vrouwen en -meisjes, en de hunkerende, nog halfnomadische vrouwen van Israël, met de vurige mannen uit Hesbon en Sihon, met Moabieten en Amorieten. Jacob's geslacht, glansverspreider, beoorloogde niet meer Jehovah's schimp- en vloekvïjanden, krenkers van den eeuwigen Schepper. Het zwervensmoede volk begeerde niet meer, in heldendrift, heidensche altaren op zwart zand te vernielen en gewijde granaatbosschen door vuur en vlam te zien wegvreten, doch andersom, verzoenden de stammen Israëls, behalve d'afgeschei-den Levieten, zich met wreede heidenen; beschermden zij al wat groep, gezin of enkeling gewin bracht of ontweken al wat persoonlijk nadeel schiep.
VI
Toen groeiden de macht en het schriklijk tegenge-woel van Canaanieten boven Israël's godsleer uit. De manende stemmen der Zegenim, eerbiedige Oudsten onder afvallig Israël en hoofden van geslachten, die met Jozua de heet-heldere woestijnlucht hadden ingeademd, wierden niet meer verstaan. Hun vrome, doch beschaduwde waarschuwingen voor den toorn des Onzichtbare, klonken als beverige oudeman-