205
gen door booze tooverij, naar angstwekkende gruwelge-stalten van gebrande aarde of van uitgehouwen rots. Zij knielden voor Adon en Mishor, voor altaren met versch offerbloed gedrenkt. Zij luisterden nog wel vaag, als heilig priestervolk, naar de geboden van den Heer die hen uit Gosen en het verre Aegypte verlost had; zij begluurden nog wel het wonderorakel der heilige Ephod, het stralende voorspellingswerk van Urim en Thummim, dat weerlichtte in goud, purper, violet en scharlaken-rood,... doch alsoorten heidenvolkeren naderden zij al minzamer en vredelievender. Zij heulden en vermengden zich met de gruwelijkheid hunner bloedvijanden, die toch alle Hebreeuwers, haat-ziedend bleven zien als krijgsvoerende verwoes-ters en moordzuchtige binnendringers in Canaan, en als oproerige slaven uit Mizraïm, tent-vluchtelingen en verdwaasde woestijnzwervers. Jozua was dood en het in-zonde-verharde volk vreesde zijn schim niet. Zij zagen den aleeuwigen Jehovah niet meer als schutse, als Heer hunner aandrommende heirscharen, als overwinnaar voor hunne bloed-broederen. Al meer en meer, in eigenwaan, verwaarloosde het saamhoo-rige plichten en godsgebeden, en iedere binnengedrongen stam deed wat hij in eigen oogen recht vond. Met blind-heete zelfzucht paalde ieder Erfdeel zijn eigen gebied af en daarin weer ieder geslacht, en daarin weer iedere groep. De kinderen Jacob's schenen verzadigd van zwerven en vechten; begeerden rust in het land dat hun voorvaderen reeds eeuw op eeuw
Simson. 14