204
gedrochtelijker naar den hemel op, met al zijn gillu-lim, en Derce, de schande-wellustbrengster, te Aska-lon, wedijverde met de liefde-zieke Asthoreth te Gath. Amalekieten, van Hevila, van d'Arabische woestijn benoorden de Hethietische enAmorietische gebergten, en ten oosten uit woestijn Paran, roovende onder hun koningen Agag, en Edomieten uit het boschgebergte Seïr, trokken verwoestend voort, opgehitst door hun krijgsgulzige priesteren.
V
Zoo, in omknelling en tusschen wemeling van afgodische volkeren, wierd onderling-twistend Israël in godvergetenheid, onder het duizelend nachtuitspansel gelokt en in zondebedrijf verlaagd en besmet. De Hebreeuwers vermaagschapten zich met Canaa-nietische vrouwen en meisjes van Israël met diepdonkere smeekoogen, die rilden van schrik voor de woest-overmeesterende heidenen. Zij wierden uitgehuwelijkt aan alsoorten beeldendienaars, die op het aangezicht kropenvoor scherpe steenklompen,vreemd-gegroeide tronken, en met pronkkleeren omhangen heilige boomen. Jozua, de toomlooze, was dood, de machtige aanbrenger der Erfdeelen. De Hebreeuwers murmelden nog wel van het land der Aartsvaderen bij eede beloofd; zij repten nog wel van den Eeuwige, onzen God, maar zij zagen geen wonderteekenen meer, die hongersnood beëindigden. Zij gluurden op, bevan