203
IV
De Ammonieten, nestelende nabij de Jabbok-rivier, ijzend-dwepende Milkom-aanbidders, offerden onverborgen, in zinnelijke verdwazing van orakelspraak, kinderen, als vee geslacht, dochteren en knapen aan Molech, en in zware nachten-duisternis klonk uit het dal Hinnom, van de Tofeth, het geween en pijnge-kerm van slachtoffers door het rookende brandstapel-vuur heengedragen. Moab, blind hatend de twaalf geslachtsgroepen uit Jacob, bedreigde met geweldenarij en stamgoden, de neêrgezonkenen en naar-rust-hunkerenden uit Israël; bespoog hen met het uit-spuwsel van Chamos en bezwijmde hen met den ver-achtelijken wellust van Baal-Peor. De moor-bronzen, nomadische Midianieten uit het land Chus, van Sinaï-Horeb en Transjordanië dreigden mee, zich hooghar-tiglijk hun oorsprong uit Abraham en Arabia's stammoeder, de wierookgeurige Ketura, bewust. In de Hermon-valleien dook op, allergeweldigst, de leugengod Baal-Hermon, overschaduwd in den violetten avond, door de Anti-Libanische, schier ongenaaklijke bergengevaarten. En ook op de nevelwitte kruin, onder sneeuw-schittering, wierden alderlei afgoden door Canaanietische koningen aangebeden, in verwilderde dweperij. De Baal-Zebub der Philistijnen, uit Ekron, heer van rampspoed en ziekte, duivelsch uitzender van besmettende drekvliegen, groeide al