199
vrouwen gelijk, in een bezwijmelingsroes en afgrijselijke verminkingsdrift. Onder de oogen der kinderen Jacobs, uit de wilde woestenijen en bergen opgedaagd, zwoegend in hun zwart-geitharige tenten, leefden deze weelde-volkeren met geweld, genot en dartele geilheid zich uit in geheiligde wouden; in het land, overvloeiend van melk en honing.
De stamme Aser, gevangen tusschen het licht van de Groote Zee en de schaduwen van den Carmel, naar Jacob's zoon, uit Zilpa, Lea's dienstmaagd; de stamme Naphtali, uit Bilha, Rachel's dienstmaagd, ten oosten van de Jordaan; de stammen Zebulon en Issa-schar, naar de zonen uit Lea's schoot zelve; het volk van Carmel en Hermon, bewoners van Rama en Beth-Semes, van Cabul en Kana, van Baal-Gad en Achsib, geraakten in zwijmeling, onder de verlokkingen van Phoenicische en Arameesche goden, die flikkerende sterren boven den uitgesneeuwden Libanoon en zijn cederwouden afschoten. Want ook Aramea, onder zijne vele praalzieke Ben-Hadad-koningen, ontrolde zijn verblindende weelde voor de hunkerende oogen der vale woestijnzwervers Israëls en voor de Hethieten, Amorieten en Phoeniciërs. Ook de Arameërs uit Padan Aram, —verschoven van Babylonische en Elamietische centra naar het Canaansche Noorden — verzinnelijkten en aanbaden hun afgoden Gad-Naom, Mem en Ninib, onder het golvenschijnsel van de Hanahar Hagadol, de Euphraat en de rotsendreigingvanTransjordaansch Gi-lead en Woest-Arabië. Heel Aram Soba, Aram Mahaca,