200
Aram Chamat, heel het noorden van Libanon en Anti-Libanon, ademde mee in afgoderijen der stamgroepen; heel het gezegende, vruchtbare Aram, dat de roode Syrische wijnen liet uitvloeien en de opperste hemelheerschers voedde met roode granaten, meloenen en witte moerbeziën en den geur van alsoorten kruiden. Het Noorden bracht den wijn van Libanon; droeg de machtige oercederen en cypressen; kweekte de wierookbosschen en koesterde hoovaardiglijk een ongewisse, toch heilige heugenis aan Abraham, Vader der volkeren, den rondzwervenden Arameër uit Ur-Kadim in Babylonië, die alle verblindende geschenken van Sodom's vorst eens driest te weigeren waagde. Heel het Libanische Syrië en Naharina staarden óp naar Hadad-Addu en het heir der wonderen-wrochtende sterrengeesten, die wisselden van naam en gestalte met Melech-Rimmon. Dan dondergod, dan god der vruchtbare aarde, dan weer god van licht en Zon, vermengeld met Adon-Thamuz, zoo verscheen Hadad-Melech-Rimmon, door de Hethietische stammen in Noord-Syrië verspreid als Aelagabalos en Tesub, over Opper- en Neder-Syrië zelfs in beeltenissen, blind-vereerd tusschen Hebreeuwers, op bloeiende bergen en hoogten. In het schemerduistere dal Bikhath-Aven, het dal der goden, brandde het eeuwig-gevoede, heilige vuur waar godin Derceto, Artargatis Karnayim doorheene zweefde met Asimah, de Almachten van morgen, deemster en avond; waar de sterrengeesten spraken met fluisterklanken. Hadad-