198
De vraatzieke baardgod Melech-Kartha, d'ontdekker der bloedende purperverve, omklemde gulzig in zijn vreeselijke armen, het vaneengereten en geslachte offervee, en de geheimzinnig-glimlachende Astheroth droeg op hare rond-weeke, blank-huiverende schouders een lokkende en koerende duif. Voor de oogen der Israëlietische noorderstammen en voor al de mannen uit het geslacht van Abraham, bezongen de Phoenici-sche vrouwen in wulpsche verhitting, iedere vruchtbaarheid en bedreven in wellustroes, ontucht en zonde, in vereering voor Adon-Thamuz uit Syrië. Zij omhingen den vlamvurig-bloesemenden granaatboom en zijne heilige takken, met vercieringen van glas en zij strooiden zijn zaadvruchten rond, als zinrijk symbool hunner eigenen drang naar verhonderdvoudigd bestaan. Aan Asthoreth en Baal-Merpa, den geheimzinni-gen Genezer, wierd hij gewijd de granaat, omkronkeld door de godslang Eshmun. Overal heerschte ongebreideld de woeste en heroïsche heiligheid van Baal, tusschen de bevochtigde granietzuilen, zinnebeeldig omlegerd met korven dadelen, aan zon, maan en starren gewijd en door heel Canaan mee-aangebeden. Razernij en van vroomheid en wulpschheid braken los op den Libanon, waar purperblauw-gesluierde Asthoreth schreide, lang en kermend, om den verloren Adon. Dwepende jongelingen van de Lycus-rivier, kerfden elkaar de borsten en ontmanden zich, ter harer eere; voor gehoornde Maangodin, hemelkoningin van het morgengestarnte. En mannen wierden aan