197
Canaanieten en al de buurstammen uit de vlakte van Esdraelon, het Palaestijnsche oorlogsveld, overworpen van steenhoopen. Zij bedolven onder hun vóórzondvloedsche gruwelen, het bergenvolk van den Carmel, van Samaria tot Judaea. Cabiri en Pataeci vermengden hun goddelijke minnekoozerij met de vreeselijke Phoenicische almachten. Overal, in heiliging, verrezen oud-Oostersche vuurtempelen, donkere poortgewelven en altaren voor Baal-Schêma-jim, den Hemelheer en Balisama, de Maangodin Astheroth.
Op hoogten en onder zeeachtig-ruischende boomen klonk het woest-heroïsche krijgersgezang tezamen met de bedwelmende, zinnebeeldige lokliederen van veroverde en zichzelf kwetsende vrouwen naar Astroarche op, naar de gestarnte-koningin, uit den goddelijken scheppingswil van den hoogsten Heelal-ordenaar geboren. Vanaf bergen, van dalkloven en steppen uit, drongen zij naar voren, de geteisterde volksmassa's, en vereenigden zich met de mannen der wateren en der roeivloten, achter afgebrokkelde tuinmuren, in lust-bosschagen, den Baal Thelassius als zeebeheerscher toekrijtend, woorden van razernij engewetenswroeging. En tezaam trokken zij op, bergbewoners, fluitblazers en cythertokkelaars, mannen van de anemoon-roode rivier Adonis en zeezwervers, als nakomelingen Anaks, naar het praal-heiligdom van den Tyrischen Baal, van Melech-Kartha en het maanglanzige huis van Astarte, voor iedere streek wisselend van gestalte.