196
met het vernielend wielengeraas hunner ijzeren krijgswagenen en het vlijmend moord-geweld der scherend-wentelende stalen zeisen.
III
Toch waren de behendig-koene, galeien-besturende Phoeniciërs van de zee en de Phoeniciërs van den Libanon, van Tyrus, Gegarta, Tsidon tot Abila, Palmyra tot de landstreek der Magluders, verdringers van Hethieten en Amorieten, afgodendienaars en vaak moordgrimmige natuurbarbaren, die opgehitst door verschrompeld Chaldeeuwsche opper-priesteren, zich verminkten voor allerlei wanstaltig-smachtende beeltenissen van El, van Yerah, Bod-Saphon en Eshmun. Op feesten zwijmelden zij, verblind door dichtst-nabije Isophasemim uit het achterland, hemelschou-wers en lichtgoden die alle vruchten en planten aan de bloeiende moederaarde lieten ontgroeien. Eerst op herdenkingsdagen voelden de Phoenicische stammen zekere aloude volkseenheid en saamsnoering van stedenbelangen; van de gloeiende Groote Zee tot Coele-Syrië, het toover-grillige land der diepe valleien, met de vlamroode bloemen en den brandenden zonneschijn. Zij overrompelden, vóór Jozua, — den Ibrimschen roover, gelijk zij hem scholden in Phoenicisch schrift, op wit-marmeren zuilen, — met hunne afgoden in dier-menschelijke gedaanten en met afgevreten aangezichten, de