95
Israëlieten op, dat zij er ontzet voor terughuiverden als voor een hiëratisch letterschrift door Cadmos onder vreemde volkeren uitgestrooid; door Sanchu-niaton uit Berythus gebruikt voor de gronding van een godsleer en de verklaring van eene bezielde waereldwording. Zij, droomrige woestijnzwervers, herders en ongeleerde bewakers van runderen, geiten, schapen en rammen, bleven alle stedekunsten ontberen. De mannen uit de stamme Aser voelden zich ellendig en nietig naast de pronkende Phoenicische zeesteden, naast Zor en Tsidon; naast hun handelskaravanen, in voortdurend verkeer met Babylonië Aegypte, Arabië, en wier vaarders tot de zee van Marmora doorzeilden. In al de staatjes van Phoenicië bloeide een ruil die de woestijn-nomaden bleef verbijsteren. In Tyrus en Tsidon rezen huizen als uitgehouwen rotsen zoo hoog. Hun steden als stapelplaatsen, borgen allerhande buit en waren, lijnwaad, stoffen en specerij-wijnen. Koper, tin en ijzer mengelden hun doode en levende tinten dooreen. Maar ook glinsterde er zilver en glom er goud door de luidruchtige en dartele straten en wijken. Alle naburen en achterlandsche barbaren, stootten Phoeniciërs de oogen blind met hun verzeilende weelde van carbonkelen en edelsteenen, en niets was de Tsidoniërs flonkerend en glanzen-spiegelend genoeg. Zij brandden zoetsten wierook en kruiden. Zij bewreven hun gebrande huiden met geurige zalven en oliën en zij tartten de stammen Aser, in wier erfdeel zij nestelden,