194
hun blinkend staal, hun Perizitisch-flonkerende goud-borduurselen; hun blauwe en violette mantelen, hun paarlen en kleurige schabrakken. Zij vertoonden het steppenvolk hun stouten scheepsbouw, zwierige roeischuiten van cypres- en cederhout. Zij begoochelden hen met miraculeuse lettervormen, grillige teekens, die de vlietende gedachte vasthielden, door Sanchonia-thon, den oerwijzen Phoeniciër, op weeke tichels en kleitafelen ingekrast. Zij overrompelden hen met heel de stamverwante indeeling van staatjes en steden. Zij spraken in Arvad, aloud Tsidon, in rotsen- en bronnen-weelderig Tyrus en Gebal, als noord-westelijke Canaa-nieten, Hebreeuwsch, doch doormengd met zwaren val van woorden en dreigenden klank van Arameesche geluiden; taal van zeezwervers en bergvolk, ruw, nuchter, scherp, hard, zich slechts verheimelijkend onder goudoogige Astarte, godin van het morgenge-starnte. Niet gebruikten de mannen der Phoenicische kust, van Tsidon en Zarpath, het hoog-edele en teeder-smeekende, het machtige en droom-donkere Hebreeuwsch, het lichte en verhevene Hebreeuwsch, doch ook hun ziel zong in de Semietische taal der Noord-Phoeniciërs, tegelijk met de worstelende angstziel der Hebreeuwers, om eigen grond en eigen bodem, tusschen Groote Zee en Libanon. Doch zij verbaasden het volk-Israël-in-dienstbaarheid, door hun sluwe kennis, hun waaghalzige ontginningsdrift en uit-vindings-vernuft. Zuilenbouw en vestingwerk-aanleg der Syro-Phoeniciërs dook zoo raadselachtig voor de