192
met hun heidensche godenvereeringen, met hun aanbidding van Mót, de oerstof waarin alle levenskiemen ontbrandden in den rondwentelenden chaos. Ook de Tyriërs, de mannen uit Zor, in hunne dol-koene zeetochten, hun handelsbedrijf en verblindende weelde; en de mannen uit Tsidon. Heel Phoenicië van Chna geurde naar dadelpalmen, als eertijds het Amorietische land. De nomadiseerende kinderen Israëls duizelden onder zulk een volksgeluk van naburen; een volk dat wonderbare kennis van verste waerelden en vreemdste oorden scheen mee te brengen, onder dartelen, soms bezetenen levenslust en booze vereering van zon, maan en starren-hemel.
II
Het steppenvolk Israël, — en zijn Sjophets, — de heroïeke stam Naphtali het meest, — leerde velerlei van de hoog-schrandere, de nijpend-nuchtere Phoeni-ciërs en Baal-Schêmajim-priesteren, eens ook onderworpen aan Assyrische grootvorsten, veroveraars der vier waereldstreken. Door hunne bezielde oogen schitterde de roode golvenglans van de Erythreïsche Zee; door hun lenigen geest drong de oud-Sumerische beschaving van Babyion, Arabië en Aegypte. Pronkzuchtige Tsidoniërs ontstelden bloedwoelige Israëlieten met tooverachtige begaafdheden in handwerk en kunsten. De zeeën-overzeilende mannen van de Palaestijnsche kust, weefden voor lieflijke vrouwen