191
lijke Phoeniciërs. De Hebreeuwers zagen wonderen van dappere Tsidoniërs en Tyriërs, als krijgers en zeevaarders bovenmenschelijk vermetel, en Israël doordroomde de ijzingwekkende of bekoorlijke tooverij van heilige wouden, voorspellende orakelen en gewijde bosschen der Moloch-heidenen. Door heel Canaanie-tisch Phoenicië, en door bloedverwante volksgroepen uit het Tweestroomenland, ging een geheimzinnige Melacarthus-macht, die zich nestelde in waggelende steenen, in zwaar-getwijgde boomen, en afgrijselijk zich openbaarde in kinder- en menschen-offeranden. De streng-geweldige Jozua, heirheld uit de stamme Ephraïm, kon als Hebreeuwsch afgoden-uitroeier het lokgevaar van den Heer der Steden, Melech Kartha, voor de zielssidderende, bijgeloovige Israë-lietische weeklagers niet bezweren. Woedende ijverzucht tusschen Ehpraïm en Judaea, om het streven naar stam-oppergezag, deed stam-scheuringen verergeren en kwellende overheersching van omringende volkeren al uitdagender opgloeien onder vonnis en ontzind gericht van Phoenicischen lichthaviksgod Resheph; van Baals en Baaltis. De zegenende of vervloekende stem van stamvader Jacob verstierf naar het Noorden en naar het Zuiden. Verdonkeringen van den tijd en schaduwen van onderdrukkingen ontrolden al dreigender onheil voor de tot verovering opgezweepte steppenzwervers. De Phoenicische en Syrische stammen verdrongen de aanbidders Amurru, met hun bedwelmende, bloedschandige eerediensten.