190
El-Shadday en zijnen Sinaïtischen luister, lag geknecht onder smaad der Emiten-verdringers, de zuidelijke Moabieten uit bloedschennigen Loth voortgesproten, die praalden met hun macht gelijk hun gouden oorhangers in het zonnelicht. Israël kromp in slavernij, onder hoon van Baal-Peor-aanbidders en vereerders van d'afgrijselijk-ontuchtigen schrikgod Miplézeth. Israël lag bedreigd van zwartborstige Ammonieten, niet toegelaten tot het tiende geslacht. Het bezweek schier onder de aanvallen van Amalekieten, gloeiend-hatende zwervers uit Petreïsch-Arabië, met het merg van Esau en de Edomieten vermengeld, door Mozes al van eeuw op eeuw gebanvloekt en met uitroeiing bedreigd. Israël en bloedmagen lagen geknecht onder de smaadmacht van Arameërs, plonderende Arabieren en half-Arabieren; aldereerst van nek-fiere Amorieten, hevieten, Idumeërs en Philistijnsche verdelgers der Avietische tenthorden. Alle kinderen Israëls in hun erfdeel, naar verlosser Jozua's bevel, moesten alle heidenen: Enakieten van het gebergte Judaea en van Gaza en Aschdod, de Horieten, Jebusieten, Tsido-nieten en Arhieten gemoeds-grimmig en eenpariglijk bevechten en verdrijven. Doch juist zij, uit Jacob's geslacht, wierden onderworpen, in dwarreling verbrokkeld en verstrooid door de beoorloogde en ter uitroeiing-gevonniste volkeren.
Het verzwakte erflot Aser, de stammen Zebulon, Issaschar en Naphtalie, leefden in het hamerende hart van staat, handel, godsdienst en bijgeloof der noorde